Multilingual Folk Tale Database


Le Maître Chat ou Le Chat botté (Charles Perrault)

De gelaarsde kat Le Maître Chat ou Le Chat botté
H.L. Prenen Charles Perrault
Dutch French

Een molenaar liet aan zijn drie zoons niets anders na dan zijn molen, zijn ezel en zijn kat. De erfenis was gauw verdeeld, de notaris en de procureur kwamen er niet eens aan te pas, want die zouden immers het schamele erfgoed al meteen hebben opgeslokt. De oudste zoon kreeg de molen, de tweede de ezel en voor de jongste bleef er niets anders over dan de kat.

De laatste was ontroostbaar dat hij zo karig bedeeld was. "Mijn broers," zei hij, "kunnen behoorlijk hun brood verdienen wanneer ze samen gaan doen, maar als ik de kat heb opgegeten en van zijn vel handschoenen heb laten maken, dan moet ik van honger sterven."

De kat had deze woorden gehoord, maar deed net alsof hij niets merkte en zei hem op kalme en bedaarde toon: "Wees maar niet bedroefd, meester, u hoeft mij alleen maar een zak te geven en een paar laarzen voor mij te laten maken om ermee door het kreupelhout te lopen, en u zult zien dat u er niet zo slecht bent afgekomen als u denkt."

Hoewel de eigenaar van de kat er niet veel waarde aan hechtte, had hij hem toch vaak zulke staaltjes van lenigheid zien uithalen om ratten en muizen te vangen, waarbij hij aan zijn voorpoten ging hangen of zich onder het meel verborg en net deed alsof hij dood was, dat hij er nu toch niet helemaal aan twijfelde of het beest hem misschien in zijn ellende zou kunnen helpen.

Toen de kat gekregen had wat hij vroeg, trok hij parmantig de laarzen aan, hing de zak om zijn nek, hield de koorden met zijn twee voorpoten vast en ging naar een konijnenberg waar het wemelde van konijnen. Hij deed wat zemelen en koolblaadjes in zijn zak, ging toen liggen alsof hij dood was en wachtte tot er een of ander jong konijn, dat nog weinig ervaring met de listen dezer wereld had, in de zak zou kruipen om te eten wat er in was.

Nauwelijks lag hij daar of hij kreeg al zijn zin. Een jong en onbezonnen konijn kroop de zak in, de kat trok onmiddellijk de koorden dicht, greep hem vast en sloeg hem zonder pardon dood.

Vol trots op zijn prooi ging hij naar de koning en verlangde hem te spreken. Men leidde hem naar de kamer van Zijne Majesteit; bij het binnentreden maakte hij een diepe buiging voor de koning en sprak: "Sire, hier is een wild konijn dat ik u, in opdracht van de Markies van Carabas (zo luidde de naam die hij zijn meester beliefde te geven) kom aanbieden."

"Zeg aan uw meester," antwoordde de koning, "dat ik hem dank en dat hij mij een groot plezier heeft gedaan."

Op een andere keer verborg hij zich in een korenveld en hield zijn zak steeds open en toen er twee patrijzen in waren gegaan, trok hij de koorden dicht en ving ze allebei. Daarna ging hij ze de koning aanbieden, zoals hij het ook met het konijn had gedaan.

De koning aanvaardde de patrijzen weer met genoegen en liet hem een drinkgeld geven. Twee of drie maanden ging de kat zo door met de koning van tijd tot tijd wildbraad uit de jachtbuit van zijn meester aan te bieden. Op een dag, toen hij wist dat de koning een rijtoer zou maken langs de boorden van de rivier, tezamen met zijn dochter, die de mooiste prinses ter wereld was, zei hij tegen zijn meester: "Als u mijn raad wilt opvolgen, dan is uw fortuin gemaakt. U hoeft niets anders te doen dan te gaan baden in de rivier, op een plek die ik u zal wijzen, en mij maar verder mijn gang te laten gaan."

De Markies van Carabas deed wat zijn kat hem aanraadde, zonder te weten waar het goed voor was. Terwijl hij daar aan het baden was, kwam de koning voorbij en de kat begon zo hard als hij maar kon te roepen: "Help! Help! De Markies van Carabas verdrinkt!"

Op dat geroep stak de koning zijn hoofd uit het portierraampje van het rijtuig en toen hij de kat herkende die hem zo vaak jachtwild had gebracht, beval hij aan zijn lijfwacht om zo vlug mogelijk de Markies van Carabas te hulp te snellen.

Terwijl men de arme markies uit de rivier haalde, naderde de kat de koets en zei tegen de koning dat er dieven waren gekomen, terwijl de markies aan het baden was, en die hadden al zijn kleren gestolen, hoewel hij uit alle macht 'Houd de dief!' had geroepen. (Het slimme dier had de kleren onder een grote hoop stenen verstopt). De koning gaf dadelijk aan de dienaren van zijn garderobe bevel om voor de Markies van Carabas een van zijn mooiste kostuums te gaan halen. De koning overlaadde hem met vriendelijkheden en daar de prachtige kleren die hij zo juist gekregen had, hem uitstekend stonden (want hij was knap en welgeschapen) vond de dochter van de koning hem heel aardig en nauwelijks had de Markies van Carabas haar twee of drie keer eerbiedig maar toch enigszins teder aangekeken, of ze was al tot over haar oren op hem verliefd. De koning wenste dat hij in zijn koets stapte en met de rijtoer meeging. De kat, die opgetogen was toen hij merkte dat zijn plan zo goed lukte, liep vooruit en kwam bij een aantal boeren die bezig waren een grasveld te maaien. Hij sprak tot hen: "Brave lieden, jullie moeten tegen de koning zeggen dat het veld, waar je aan het maaien bent, van de Markies van Carabas is, want anders zullen jullie allemaal in stukjes worden gehakt."

Inderdaad vroeg de koning van wie het weiland was, dat ze aan het maaien waren. "Van de Markies van Carabas," riepen zij allen tegelijk, want ze waren bang geworden voor de bedreigingen van de kat.

"U hebt daar een mooi stuk grondbezit," zei de koning tegen de Markies van Carabas.

"U ziet wel, sire," antwoordde de Markies, "dat het een weiland is, dat elk jaar heel wat opbrengt."

De kat, die aldoor vooruit liep, zag toen een groep boeren die aan de oogst bezig waren en zei tegen hen: "Brave lieden, als je niet zegt dat al dat koren van de Markies van Carabas is, zul je allemaal in stukjes worden gehakt." De koning, die een ogenblik later voorbijreed, wilde weten van wie dat koren was, dat hij daar zag. "Dat is van de Markies van Carabas," antwoordden de boeren en de koning was er wederom over verheugd - en de Markies ook. De kat, die voor de koets uitliep, zei steeds weer hetzelfde tot allen die hij tegenkwam en de koning was een en al verbazing over de uitgestrekte bezittingen van de Markies van Carabas.

Tenslotte kwam de kat bij een prachtig kasteel, het eigendom van een reus, die schatrijk was, want al de landerijen waar de koning langs was gereden, behoorden bij dat kasteel. De kat zorgde eerst dat hij te weten kwam wie die reus was en wat hij zo al kon. Toen verlangde hij hem te spreken, en zei dat hij niet zo vlak langs het kasteel voorbij wilde gaan, zonder de eer te hebben hem zijn opwachting te maken.

De reus ontving hem zo hoffelijk als een reus maar kan en liet hem plaats nemen.

"Er wordt beweerd," zei de kat, "dat u de gave bezit om u te kunnen veranderen in allerlei soorten van dieren. Bijvoorbeeld dat u zich kunt veranderen in een leeuw of een olifant."

"Dat is waar," antwoordde de reus bars, "en om het te bewijzen zal ik mij in een leeuw veranderen."

De kat schrok zo hevig toen hij plotseling een leeuw voor zich zag staan, dat hij onmiddellijk de dakgoot in klom, maar het ging moeizaam en gevaarlijk, vanwege zijn laarzen, die er niet voor deugden om ermee over de dakpannen te lopen.

Na een tijdje, toen hij gezien had dat de reus weer zijn eigen gestalte had aangenomen, kwam de kat naar beneden en bekende dat hij geweldig bang was geweest. "Ze hebben mij ook nog verzekerd," zei de kat, "maar ik kan het bijna niet geloven, dat u zelfs de kunst verstaat om u in hele kleine dieren te veranderen, bijvoorbeeld een rat of een muis. Ik moet u eerlijk zeggen: dat lijkt mij onmogelijk."

"Onmogelijk?" hernam de reus, "dat zul je eens zien!" En op hetzelfde ogenblik veranderde hij zich in een muis die over de vloer trippelde. Zodra de kat dat had gezien, sprong hij er op af en at hem op.

Ondertussen reed de koning langs het prachtige kasteel van de reus en wilde er binnen gaan. Toen de kat het ratelen van de wielen over de valbrug hoorde, liep hij hem tegemoet en zei tegen de koning: "Ik heet uwe majesteit welkom in het kasteel van de Markies van Carabas."

"Wat! Mijnheer de Markies," riep de koning, "is dit kasteel ook al van u? Zo iets moois als deze binnenplaats en al die gebouwen er omheen zag ik nog nooit. Als u mij toestaat, laten wij het dan eens van binnen bezichtigen." De markies reikte de jonge prinses de hand en volgde de koning die voorop liep. Zij kwamen in een grote zaal waar een heerlijke maaltijd gereed stond, die de reus had laten klaarmaken voor zijn vrienden, die hem die dag zouden bezoeken, maar die niet naar binnen durfden te gaan omdat ze wisten dat de koning er was.

De koning was verrukt over de goede eigenschappen van de Markies van Carabas, en zijn dochter ook, want die stond al helemaal in vuur en vlam voor hem, en toen hij de uitgestrekte goederen zag die de markies bezat zei hij tot hem, nadat hij vijf of zes glazen wijn had gedronken: "Het hangt maar van u af, meneer de Markies, om mijn schoonzoon te worden."

De markies maakte een diepe buiging en aanvaardde de eer die de koning hem bewees. En nog diezelfde dag trouwde hij met de prinses. De kat werd een voornaam edelman en joeg voortaan alleen nog maar op muizen voor zijn plezier.

Un meunier ne laissa pour tous biens à trois enfants qu’il avait, que son moulin, son âne, et son chat. Les partages furent bientôt faits, ni le notaire, ni le procureur n’y furent point appelés. Ils auraient eu bientôt mangé tout le pauvre patrimoine. L’aîné eut le moulin, le second eut l’âne, et le plus jeune n’eut que le chat.
Ce dernier ne pouvait se consoler d’avoir un si pauvre lot :
– Mes frères, disait-il, pourront gagner leur vie honnêtement en se mettant ensemble ; pour moi, lorsque j’aurai mangé mon chat, et que je me serai fait un manchon de sa peau, il faudra que je meure de faim.
Le chat qui entendait ce discours, mais qui n’en fit pas semblant, lui dit d’un air posé et sérieux :

– Ne vous affligez point, mon maître, vous n’avez qu’à me donner un sac, et me faire faire une paire de bottes pour aller dans les broussailles, et vous verrez que vous n’êtes pas si mal partagé que vous croyez.
Quoique le maître du chat ne fît pas grand fond là-dessus, il lui avait vu faire tant de tours de souplesse, pour prendre des rats et des souris : comme quand il se pendait par les pieds ou qu’il se cachait dans la farine pour faire le mort, qu’il ne désespéra pas d’en être secouru dans sa misère.
Lorsque le chat eut ce qu’il avait demandé, il se botta bravement, et mettant son sac à son cou, il en prit les cordons avec ses deux pattes de devant et s’en alla dans une garenne où il y avait grand nombre de lapins. Il mit du son et des lacerons dans son sac, et s’étendant comme s’il eût été mort, il attendit que quelque jeune lapin, peu instruit encore des ruses de ce monde, vînt se fourrer dans son sac pour manger ce qu’il y avait mis.
À peine fut-il couché qu’il eut contentement ; n jeune étourdi de lapin entra dans son sac, et le maître chat tirant aussitôt les cordons le prit et le tua sans miséricorde.
Tout glorieux de sa proie, il s’en alla chez le roi et demanda à lui parler. On le fit monter à l’appartement de Sa Majesté, où étant entré, il fit une grande révérence au roi et lui dit :
– Voilà, sire, un lapin de garenne que M. le marquis de Carabas (c’était le nom qu’il lui prit en gré de donner à son maître), m’a chargé de vous présenter de sa part.
– Dis à ton maître, répondit le roi, que je le remercie, et qu’il me fait plaisir.
Une autre fois, il alla se cacher dans un blé, tenant toujours son sac ouvert ; et lorsque deux perdrix y furent entrées, il tira les cordons, et les prit toutes deux. Il alla ensuite les présenter au roi, comme il avait fait le lapin de garenne. Le roi reçut encore avec plaisir les deux perdrix, et lui fit donner à boire.
Le chat continua ainsi pendant deux ou trois mois à porter de temps en temps au roi du gibier e la chasse de son maître. Un jour qu’il sut que le roi devait aller à la promenade sur le bord de la rivière avec sa fille, la plus belle princesse du monde, il dit à son maître :
– Si vous voulez suivre mon conseil, votre fortune est faite : vous n’avez qu’à vous baigner dans la rivière à l’endroit que je vous montrerai, et ensuite me laisser faire.
Le marquis de Carabas fit ce que son chat lui conseillait, sans savoir à quoi cela serait bon. Dans le temps qu’il se baignait, le roi vint à passer, et le chat se mit à crier de toute sa force :
– Au secours, au secours, voilà monsieur le Marquis de Carabas qui se noie !
À ce cri le roi mit la tête à la portière et reconnaissant le chat qui lui avait apporté tant de fois du gibier, il ordonna à ses gardes qu’on allât vite au secours de M. le marquis de Carabas.
Pendant qu’on retirait le pauvre marquis de la rivière, le chat s’approcha du carrosse, et dit au roi que dans le temps que son maître se baignait, il était venu des voleurs qui avaient emporté ses abits, quoiqu’il eût crié au voleur de toute sa force ; le drôle les avait cachés sous une grosse pierre.
Le roi ordonna aussitôt aux officiers de sa garde-robe d’aller quérir un de ses plus beaux habits pour M. le marquis de Carabas. Le roi lui fit mille caresses ; et comme les beaux habits qu’on venait de lui donner relevaient sa bonne mine (car il était beau, et bien fait de sa personne), la fille du roi le trouva fort à son gré, et le marquis de Carabas ne lui eut pas jeté deux ou trois regards fort respectueux, et un peu tendres, qu’elle en devint amoureuse à la folie.
Le roi voulut qu’il montât dans son carrosse, et qu’il fût de la promenade. Le chat, ravi de voir que son dessein commençait à réussir, prit les devants, et ayant rencontré des paysans qui fauchaient un pré, il leur dit :
– Bonnes gens qui fauchez, si vous ne dites au roi que le pré que vous fauchez appartient à M. le marquis de Carabas, vous serez tous hachés menu comme chair à pâté.
Le roi ne manqua pas à demander aux aucheux à qui était ce pré qu’ils fauchaient.
– C’est à M. le marquis de Carabas, dirent-ils tous ensemble, car la menace du chat leur avait fait peur.
– Vous avez là un bel héritage, dit le roi au marquis de Carabas.
– Vous voyez, sire, répondit le marquis, c’est un pré qui ne manque point de rapporter abondamment toutes les années.
Le maître chat, qui allait toujours devant, rencontra des moissonneurs, et leur dit :
– Bonnes gens qui moissonnez, si vous ne dites que tous ces blés appartiennent à M. le marquis de Carabas, vous serez tous hachés menu comme chair à pâté.
Le roi, qui passa un moment après, voulut savoir à qui appartenaient tous les blés qu’il voyait.
–C’est à M. le marquis de Carabas, répondirent les moissonneurs, et le roi s’en réjouit encore avec le marquis.
Le chat, qui allait devant le carrosse, disait oujours la même chose à tous ceux qu’il rencontrait ; et le roi était étonné des grands biens de M. le marquis de Carabas.
Le maître chat arriva enfin dans un beau château dont le maître était un ogre, le plus riche qu’on ait jamais vu, car toutes les terres par où le roi avait passé étaient de la dépendance de ce château. Le chat, qui eut soin de s’informer qui était cet ogre, et ce qu’il savait faire, demanda à lui parler, disant qu’il n’avait pas voulu passer si près de son château, sans avoir l’honneur de lui faire la révérence.
L’ogre le reçut aussi civilement que le peut un ogre, et le fit reposer.
– On m’a assuré, dit le chat, que vous aviez le don de vous changer en toute sorte d’animaux ; que vous pouviez par exemple vous transformer en lion, en éléphant ?
– Cela est vrai, répondit l’ogre brusquement, et pour vous le montrer, vous m’allez voir devenir lion.
Le chat fut si effrayé de voir un lion devant ui, qu’il gagna aussitôt les gouttières, non sans peine et sans péril, à cause de ses bottes qui ne valaient rien pour marcher sur les tuiles.
Quelques temps après, le chat, ayant vu que l’ogre avait quitté sa première forme, descendit, et avoua qu’il avait eu bien peur.
– On m’a assuré encore, dit le chat, mais je ne saurais le croire, que vous aviez aussi le pouvoir de prendre la forme des plus petits animaux, par exemple, de vous changer en un rat, en une souris ; je vous avoue que je tiens cela tout à fait impossible.
– Impossible ? reprit l’ogre, vous allez voir, et en même temps il se changea en une souris, qui se mit à courir sur le plancher.
Le chat ne l’eut pas plus tôt aperçue qu’il se jeta dessus, et la mangea.
Cependant le roi, qui vit en passant le beau château de l’ogre, voulut entrer dedans. Le chat, qui entendit le bruit du carrosse qui passait sur le pont-levis, courut au-devant et dit au roi :
– V otre Majesté soit la bienvenue dans le hâteau de M. le marquis de Carabas.
– Comment, monsieur le marquis, s’écria le roi, ce château est encore à vous ! Il ne se peut rien de plus beau que cette cour et que tous ces bâtiments qui l’environnent ; voyons-les dedans, s’il vous plaît.
Le marquis donna la main à la jeune princesse, et suivant le roi qui montait le premier, ils entrèrent dans une grande salle où ils trouvèrent une magnifique collation que l’ogre avait fait préparer pour ses amis qui le devaient venir voir ce même jour-là, mais qui n’avaient pas osé entrer, sachant que le roi y était. Le roi charmé des bonnes qualités de M. le marquis de Carabas, de même que sa fille qui en était folle, et voyant les grands biens qu’il possédait, lui dit, après avoir bu cinq ou six coups :
– Il ne tiendra qu’à vous, monsieur le marquis, que vous ne soyez mon gendre.
Le marquis, faisant de grandes révérences, accepta l’honneur que lui faisait le roi ; et dès le même jour épousa la princesse. Le chat devint grand seigneur et ne courut plus après les souris ue pour se divertir.

*Moralité
Quelque grand soit l’avantage
De jouir d’un riche héritage Venant à nous de père en fils,
Aux jeunes gens pour l’ordinaire, L’industrie et le savoir-faire Valent mieux que des biens acquis.
Autre moralité
Si le fils d’un meunier, avec tant de vitesse, Gagne le cœur d’une princesse,
Et s’en fait regarder avec des yeux mourants, C’est que l’habit, la mine et la jeunesse,
Pour inspirer de la tendresse, N’en sont pas des moyens toujours indifférents.



Change: Change: