Multilingual Folk Tale Database


Hun duede ikke (H.C. Andersen)

Zij deugde niet Hun duede ikke
Simon Jacob Andriessen H.C. Andersen
Dutch Danish
De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant. Byfogeden stod ved det åbne vindue; han var i manchetskjorte, med brystnål i kalvekrøset og overordentlig vel barberet, selvgjort arbejde; dog var han kommet til at give sig et lille snit, men hen over det sad en lap avispapir.
«Hoor eens, kleine!» riep hij. "Hør, du lille!" råbte han.
En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond. Og den lille var ingen anden end vaskekonens søn, der netop gik forbi og ærbødig tog sin kasket af; den var knækket i skyggen og indrettet til at putte i lommen. I de fattige, men rene og særdeles vel lappede klæder og med svære træsko, stod drengen ærbødig, som var det for kongen selv han stod.
«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?» "Du er en god dreng!" sagde byfogeden, "du er en høflig dreng! din moder skyller vel tøj nede ved åen; dér skal du ned med det, du har i lommen. Det er en slem ting med din moder! hvor meget har du dér?"
«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon. "En halv pægl!" sagde drengen med forskrækket, halv sagte stemme.
«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester. "Og i morges fik hun det samme!" vedblev manden.
«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap. "Nej, i går var det!" svarede drengen.
«Twee halve maken één heel!—Zij deugt niet! Het is treurig met zulk soort van menschen!—Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel worden! Arm kind! Ga maar heen!» "To halve gør en hel! - Hun dur ikke! Det er sørgeligt med den klasse af folket! Sig til din moder, at hun skulle skamme sig! og bliv aldrig du en drukkenbolt, men det bliver du nok! - Stakkels barn! - Gå nu!"
En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden. Og drengen gik; kasketten beholdt han i hånden, og vinden blæste på hans gule hår, så at det rejste sig i lange totter. Han gik om af gaden, ind i gyden, ned til åen, hvor moderen stod ude i vandet ved to-stolen og slog med tærskelen på det svære linned. Der var strømning i vandet, thi vandmøllens sluser var oppe, lagnet drev for strømmen og var nær ved at rive to-stolen om; vaskekonen måtte holde imod.
«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?» "Jeg er nær ved at sejle!" sagde hun, "det er godt, at du kommer, for jeg kan trænge til at få lidt hjælp på kræfterne! det er koldt herude i vandet; i seks timer har jeg stået her. Har du noget til mig?"
De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar aan den mond en nam er een fermen slok uit. Drengen tog flasken frem, og moderen satte den for munden og drak en slurk.
«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, goede jongen!» "Oh, hvor det gør godt! hvor det varmer! det er lige så godt som varm mad, og det er ikke så dyrt! drik, min dreng! Du ser så bleg ud, du fryser i de tynde klæder! det er jo også efterår. Hu! Vandet er koldt! bare jeg ikke bliver syg! men det gør jeg ikke! giv mig en tår endnu og drik også du, men kun en lille dråbe, du må ikke vænne dig til det, mit stakkels fattige barn!"
En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de kleeren droop. Og hun gik om broen, hvor drengen stod, og trådte op på land; vandet drev fra sivmåtten, hun havde om livet, vandet flød fra hendes skørt.
«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!» "Jeg slider og slæber, så blodet er færdigt at springe mig ud af mine neglerødder! men det er det samme, når jeg kun hæderlig kan få dig frem, mit søde barn!"
Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer [92]uitkomen. Het was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» noemden de buren haar. I det samme kom en noget ældre kone, fattig i klæder og skind, halt på det ene ben og med en mægtig stor forloren krølle ud over det ene øje, det skulle skjules af krøllen, men den gjorde skavanken mere kendelig. Det var en veninde af vaskekonen, "Halte-Maren med krøllen," kaldte naboerne hende.
«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»—En nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, maar jij deugt niet!» "Stakkel, hvor du slider og slæber og står i det kolde vand! Du kan nok trænge til lidt at varmes ved, og dog har man ondt af den dråbe, du får!" - og nu var snart hele byfogedens tale til drengen bragt vaskekonen; for Maren havde hørt det hele, og det havde ærgret hende, at han talte således til barnet om dets egen moder og om den dråbe, hun tog, lige idet byfogeden gjorde stort middagskalas med vin i flaskevis! "fine vine og stærke vine! lidt over tørsten hos mange! men det kalder man ikke at drikke! de dur, men du dur ikke!"
«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over mij gekomen!» "Så han har talt til dig, barn!" sagde vaskekonen, og hendes læber bevægede sig sitrende: "Du har en moder, der dur ikke! måske har han ret! men til barnet skulle han ikke sige det! dog, fra det hus kommer meget over mig!"
«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden, maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!» "I har jo tjent der i gårde, da byfogedens forældre levede og boede dér; det er mange år siden! Der er spist mange skæpper salt siden den tid, så man nok kan tørste!" og Maren lo. "Der er stor middag i dag hos byfogeden, den skulle have været sagt af, men nu blev det dem for silde, og maden var lavet. Jeg har det fra gårdskarlen. Der er for en times tid siden kommet brev om, at den yngre broder er død i København."
«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek. "Død!" udbrød vaskekonen og blev ligbleg.
«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? ’t Is waar ook, je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.» "Ih dog!" sagde konen; "tager I jer det så nær! nå, I kendte ham, fra I tjente der i huset."
«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O mijn God! het draait mij alles voor de oogen,—dat komt, omdat ik de flesch leeggedronken heb,—dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel mij alles behalve wel!» "Er han død! han var det bedste, det mest velsignede menneske! Vorherre får ikke mange, som ham!" og tårerne løb hende ned ad kinderne. "Oh, min Gud! det går rundt med mig! det er, fordi jeg drak flasken ud! jeg har ikke kunnet tåle det! jeg føler mig så ilde!" - og hun holdt sig op til plankeværket.
«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen, dat ik je naar huis breng.» "Herre Gud, I er ganske dårlig, moer!" sagde konen. "Se dog til, det kan gå over! - nej, I er rigtig syg! det er bedst, jeg får jer hjem!"
«Maar de wasch dan?» "Men tøjet dér!"
«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!» "Det skal jeg nok tage mig af! tag mig under armen! Drengen kan blive her og passe på så længe, så skal jeg komme og vaske resten; det er en lille klat kun!"
En de knieën der waschvrouw knikten. Og fødderne vaklede under vaskekonen.
«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!—[93]Mijn arm kind!»—Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis, om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het raam toe. "Jeg har stået for længe i det kolde vand! jeg har ikke siden i morges fået vådt eller tørt! jeg har feber i kroppen! Oh Herre Jesus! hjælp mig hjem! mit stakkels barn!" - og hun græd.
«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het glaasje gekeken; zij deugt niet! ’t Is jammer van den aardigen jongen, dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn moeder deugt niet!» Drengen græd og sad snart ene ved åen ved det våde tøj. De to koner gik langsomt, vaskekonen vaklende, op ad gyden, om ad gaden, forbi byfogedens gård, og netop uden for den sank hun om på brostenene. Folk samlede sig.
En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste, en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch in de mand doen. Halte-Maren løb ind i gården om hjælp. Byfogeden med sine gæster så ud ad vinduerne.
Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven; daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij. "Det er vaskekonen!" sagde han, "hun har fået lidt over tørsten; hun dur ikke! det er skade for den kønne dreng, hun har. Jeg har sandelig godhed for barnet. Moderen dur ikke!"
En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich met een oude deken toe. Og hun blev bragt til sig selv igen og ledet til sit fattige hjem, hvor hun kom i seng. En skål varmt øl med smør og sukker gik den skikkelige Maren at lave, det var den medicin hun troede var den bedste, og så gik hun til skyllestedet, skyllede meget dårligt, men velment, trak egentlig kun det våde tøj i land og fik det i en kasse.
Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan. Ved aften sad hun i den fattige stue hos vaskekonen. Et par brunede kartofler og et dejligt fedt stykke skinke havde hun fået hos byfogedens kokkepige til den syge, det nød drengen og Maren godt af; den syge glædede sig ved lugten, den var så nærende, sagde hun.
«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve, dat hij dit nimmer te weten kome!—Ik diende bij de ouders van den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje, maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde, als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder, wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en liefderijk!—Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger; en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen hem en mij bestond. [94] Og drengen kom til sengs, den selv samme, i hvilken moderen lå, men han havde sin plads på tværs ved fødderne med et gammelt gulvtæppe over sig, syet sammen af blå og røde strimler.
««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt; anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet, dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen kinderen, denk daar eens over na!» Og det var lidt bedre med vaskekonen; det varme øl havde styrket hende, og lugten af den fine mad gjorde godt.
«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart, maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!—Ik kuste haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft, ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»—Ja, eeuwig en altijd!» zei hij.—«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar niet liefheeft,—doch dat kan nog wel komen!»—«Dat zal wel komen!» zei hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;—zij zeide niet, dat ik niet deugde, maar destijds was ik misschien wel beter, ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.» "Tak, du gode sjæl!" sagde hun til Maren, "alt vil jeg også sige dig, når drengen sover! jeg tror allerede, han gør det! hvor sød og velsignet ser han ud! med de lukkede øjne! han ved ikke, hvorledes hans moder har det. Vorherre lade ham aldrig prøve det! - Jeg tjente hos kammerrådens, byfogedens forældre, så traf det sig, at den yngste af sønnerne kom hjem, studenten; dengang var jeg ung, vild og gal, men skikkelig, det tør jeg sige for Guds ansigt!" sagde vaskekonen, - "studenten var så lystig og glad, så velsignet! hver bloddråbe i ham var retskaffen og god! bedre menneske har der ikke været på Jorden. Han var søn i huset, og jeg kun tjenestepige, men vi blev kærestefolk, i tugt og ære! et kys er dog ikke synd, når man rigtig holder af hinanden. Og han sagde det til sin moder; hun var som Vorherre for ham her på Jorden! og hun var så klog, kærlig og elskelig! - Han rejste bort, og sin guldring satte han på min finger. Da han vel var borte, kaldte min madmoder mig ind for sig; alvorlig og dog så mild stod hun, talte, som Vorherre ville kunne det; hun klarede for mig afstanden i ånd og sandhed imellem ham og mig. "Nu ser han på, hvor godt du ser ud, men udseendet vil gå bort! Du er ikke oplært, som han, I når ikke op til hinanden i åndens rige, og deri ligger ulykken. Jeg agter den fattige, sagde hun, hos Gud kan han måske få en højere plads, end mange rige, men man må ikke på Jorden gå over i et galt spor, når man kører fremad, ellers vælter vognen og I to vil vælte! Jeg ved, at en brav mand, en håndværksmand har friet til dig, det er Erik Handskemager, han er enkemand, har ingen børn, står sig godt, tænk derover!" Hvert ord, hun sagde, var som knive gennem mit hjerte, men konen havde ret! og det knugede mig og tyngede mig! - jeg kyssede hendes hånd og græd mine salte tårer, og det endnu mere, da jeg kom ind i mit kammer og lagde mig over min seng. Det var en tung nat, som fulgte, Vorherre ved, hvad jeg led og stred. Så gik jeg om søndagen til Herrens bord, for at få lys i mig. Da var det ligesom en tilskikkelse: Idet jeg gik ud af kirken, mødte jeg Erik Handskemager. Så var der ikke længere nogen tvivl i mit sind, vi passede for hinanden i stilling og vilkår, ja, han var endogså en velhavende mand! og så gik jeg lige hen til ham, tog hans hånd og sagde: Er dine tanker endnu til mig? - Ja evig og altid! sagde han. - Vil du have en pige, der agter og ærer dig, men ikke holder af dig, men det kan vel komme! - Det vil komme! sagde han, og så gav vi hinanden hånden. Jeg gik hjem til min madmoder; guldringen, som sønnen havde givet mig, bar jeg på mit bare bryst, jeg kunne ikke sætte den på min finger ved dagen, men kun hver aften, når jeg lagde mig i min seng. Jeg kyssede ringen, så at min mund blødte ved det, og så gav jeg den til min madmoder, og sagde, at i næste uge ville der blive lyst fra prædikestolen for mig og handskemageren. Så tog min madmoder mig i sine arme og kyssede mig - hun sagde ikke, at jeg ikke duede, men den gang var jeg måske også bedre, skønt jeg ikke endnu havde prøvet så megen verdens modgang. Og så stod brylluppet ved kyndelmisse; og det første år gik godt, vi holdt svend og dreng, og du, Maren, tjente os."
«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!» "Oh, I var en velsignet madmoder!" sagde Maren, "aldrig glemmer jeg, hvor mild I og jer mand var!"
«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen hadden we nog niet!—Den student zag ik niet meer!—Maar ja, ik zag hem toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder; later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat, geloof ik!—Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan zou hij mij toch zeker niet herkend hebben, zooveel leelijker ben ik geworden. En dat is ook wel goed!» "Det var i de gode år, du var hos os! - Børn havde vi da ikke. - Studenten så jeg aldrig! - Jo, jeg så ham, men han så ikke mig! han kom her til sin moders begravelse. Jeg så ham stå ved graven, han var så kridhvid og så bedrøvet, men det var for moderens skyld. Da siden faderen døde, var han i fremmede lande og kom ikke her og har ikke heller senere været her. Aldrig giftede han sig, ved jeg; - han var nok prokurator! - mig huskede han ikke, og om han havde set mig, så havde han dog vist ikke kendt mig igen, så fæl jeg ser ud. Og det er jo også meget godt!"
Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als ’t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,—maar de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld ging met hem verloren. Og hun talte om sine prøvelsers tunge dage, hvorledes ulykken ligesom væltede ind på dem. De ejede fem hundrede rigsdaler, og da der i gaden var et hus at få for to hundrede, og det ville betale sig at få det revet ned og bygge et nyt, så blev huset købt. Murer og tømrer gjorde overslag, at det videre ville koste ti hundrede og tyve. Kredit havde Erik Handskemager, pengene fik han til låns fra København, men skipperen, der skulle bringe dem, forliste og pengene med.
«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte, drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden, ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen; zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn zoontje niet verlaten!» "Da var det, jeg fødte min velsignede dreng, som her sover. - Fader faldt i en svær, langvarig sygdom; i tre fjerdingår måtte jeg klæde ham af og på. Det gik rent tilbage for os, vi lånte og lånte: Alt vort tøj gik, og fader døde fra os! - Jeg har slidt og slæbt, stridt og stræbt for barnets skyld, vasket trapper, vasket linned, groft og fint, men jeg skal ikke have det bedre, vil Vorherre! men han løser nok op for mig og sørger for drengen."
Daarop viel zij in slaap. Og så sov hun.
Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht; krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,—in elke daarvan zat een bosje stroo,—dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar, toen zij haar koffie wilde brengen. Ud på morgnen følte hun sig styrket og stærk nok, som hun troede, til igen at gå til sit arbejde. Hun var netop kommet ud i det kolde vand, da greb hende en rystelse, en afmagt; krampagtigt tog hun for sig med hånden, gjorde et skridt opad og faldt om. Hovedet lå på det tørre land, men fødderne ude i åen, hendes træsko, som hun havde stået med på bunden, - i hver af dem var der en visk halm - drev på strømmen; her blev hun fundet af Maren, der kom med kaffe.
Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen; want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood. Fra byfogeden havde der hjemme været bud, at hun straks måtte møde hos ham, han havde noget at sige hende. Det var for sent. En barber blev hentet til åreladning; vaskekonen var død.
«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester. "Hun har drukket sig ihjel!" sagde byfogeden.
In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht, was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.» I brevet, der bragte underretning om broderens død, var opgivet testamentets indhold, og deri stod, at 600 rigsdaler testamenteredes til handskemagerenken, der engang havde tjent hans forældre. Efter bedste skøn skulle pengene, i større eller mindre portioner, gives hende og hendes barn.
«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,» zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen; er kan een flink handwerksman van hem groeien!»—En op deze woorden schonk God zijn zegen. "Der har været noget mikmak med min broder og hende!" sagde byfogeden, "godt, at hun er af vejen; drengen får nu det hele, og jeg skal sætte ham til brave folk, en god håndværker kan han blive!" - Og i de ord lagde Vorherre sin velsignelse.
De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hij [96]zich zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was, dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet. Og byfogeden kaldte drengen for sig, lovede at sørge for ham, og sagde ham, hvor godt det var, at hans moder var død, hun duede ikke!
Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op; de knaap stond naast haar. Til kirkegården blev hun bragt, de fattiges kirkegård. Maren plantede et lille rosentræ på graven, drengen stod ved siden.
«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?» "Min søde moder!" sagde han, og tårerne strømmede: "Er det sandt: Hun duede ikke!"
«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je, dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,—laat dan de wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!» "Jo, hun duede!" sagde den gamle pige og så op imod himlen. "Jeg ved det fra mange år og fra den sidste nat. Jeg siger dig, hun duede! og Vorherre i Himmeriges rige siger det med, lad verden kun sige: Hun duede ikke!"


Change: Change: