Multilingual Folk Tale Database


Information

Author: J. Cohen - 1919

Original version in Dutch

Source: Nederlandsche Sagen en Legenden (nr. 2.02)

Country of origin: Netherlands

Translations

There are no translations available for this story

Add a translation

Jan de Achtste van Arkel

J. Cohen

De burgers van Gorinchem mokten tegen Jan den Achtste van Arkel, doch deze lachte, niettegenstaande zijn dienaren bezorgd zagen.

„En als ze oprukken, om uw slot te belegeren?" vroegen Zij. „De woede des volks is fel en snijdend". „Ze komen niet aan het kasteel toe!" antwoordde de graaf overmoedig. De dienaren geloofden hem niet. „We zullen alles nazien", zoo spraken ze, „brug en muur en gracht, opdat we veilig zijn".

De graaf bemerkte wel, dat ze hem net geloofden. Hoe konden andere zijn trots gevoelen?

„Ge zult de burgers van Gorinchem hier immers nooit aanschouwen, heb ik u gezegd", zoo merkte hij eens op. „Maar ik zal integendeel naar de burgers van Gorinchem gaan".

„Doe het niet. We kunnen even goed een muur afbreken, de grachten dempen, als u te missen". „ge behoeft mij niet te missen", hernam hij hoog- moedig.

Stralend als de zon, die zijn tocht aanvangt, zóó begaf Hij zich den volgenden morgen reeds op weg. Onafwendbaar. Vonken van gloed spatten hem uit 't harnas. En hij reed tot aan de poort der stad.

De burgers waren verwonderd over zijn moed, want hij reed alleen. Ze vreesden een list. Zou zijn geleide hem niet volgen? ze speurden over den weg. Tot in wijden omtrek viel er geen mensch te bekennen.

Trotsch reed hij binnen de poort, en hij gaf zich aan hun macht over. Ze stroomden te saam, en zagen naar hem, verwonderd als kinderen over nooit-gezien ding. En toen begonnen ze te mompelen.

„Zullen we hem niet gevangen nemen of dooden?"

„Zou hij niets weten van onze ontevredenheid? Als wij hem eens dwongen, onze eischen in te willigen". Jan de Achtste van Arkel zweeg en hij glimlachte. Hij geleek meer op een vorst, die zijn goed volk bezoekt dan op een bedreigd man, wiens leven van één enkel gebaar of woord kan afhangen. Hij deed, of hij de somberheid der gezichten niet bemerkte, en zachtjes klopte hij het paard tegen den nek.

Eensklaps liet hij het dier stilhouden. men zag, dat hij naar een balk keek, die boven zijn hoofd hing. Hij strekte zijn armen uit, en zijn handen omvatten het hout. Allen wachtten, wat er gebeuren zou. Toen richtte hij zich iets op, doch zijn knieën drukten tegelijkertijd in de flanken van zijn ros. Daarna hief hij zich met zijn paard tegelijkertijd in de hoogte, zoodat de pooten van het dier ver boven den beganen grond hingen, ja, zoo persten De knieën des ridders, dat het ros van benauwdheid zijn ogen verdraaien en zijn tong uitstak.

Hierna liet hij zich weder rustig zinken. Het paard stond heel kalm, Jan van Arkel streelde het den nek. Hij zeide geen enkel woord.

De burgers bleven op de plaats staan, waar zij stonden. Wie dacht nog aan verzet? Alle mannen ontblootten het Hoofd, ten teeken van onderdanigheid, alle vrouwen negen. En Jan van Arkel ging uit de stad als een gehuldigd veldheer; in zijn kasteel vertelde hij, dat men niet bevreesd voor de lieden van Gorinchem behoefde te zijn, daar zij hem vreesden. En hij zeide:

„Het is de gewoonte der hoenders niet, dat zij den vos aanvallen!"